Als u deze FP-mail niet goed kunt lezen, klik dan hier om de online-versie te bekijken.
27 maart 2008
Inhoud
Fiscaliteiten
Juridisch
Toekomstvoorzieningen
Beleggen
Financieren
DGA en IB-ondernemer

Fiscaliteiten

Antwoord op kamervragen over opnieuw inzenden belastingaangiften
De Staatssecretaris van Financiën verwacht dat van de belastingplichtigen die vóór 23 februari 2008 aangifte hebben gedaan en van wie de aangifte onbruikbaar zijn geraakt door een fout van de Belastingdienst een overgrote meerderheid hun aangifte opnieuw zal versturen. Dit heeft de staatssecretaris geantwoord op vragen van het Tweede kamerlid Irrgang (SP). De kamervragen zijn gesteld naar aanleiding van de stelling dat het wettelijk niet verplicht is om opnieuw aangifte te doen. De Belastingdienst wil begin april diegenen van wie dan nog geen nieuwe aangifte binnen is opnieuw te benaderen en uit te nodigen nogmaals aangifte te doen. De Belastingdienst heeft geen meldingen ontvangen van het opnieuw moeten invullen van de aangifte omdat de programmatuur geen nieuwe verzending kan realiseren.

Staatssecretaris van Financiën, 18 maart 2008, nr. DGB 2008-01387 M


Fiscaliteiten

Kabinet wil excessieve beloningen ontmoedigen
De ministerraad onderschrijft de aanbevelingen van de Monitoring Commissie Corporate Governance Code ('Commissie Frijns'). De ministerraad heeft ingestemd met toezending aan de Tweede Kamer van de kabinetsreactie op het rapport waarin ook nieuwe maatregelen worden voorgesteld, gericht op excessieve beloningen.

Het kabinet is verheugd over het hoge nalevingspercentage van de Corporate Governance Code (95 procent), maar onderschrijft het uitgangspunt van de Commissie Frijns dat de naleving 100 procent zou moeten zijn. Verder vindt het kabinet het nalevingspercentage (85 procent) en toepassingspercentage (70 procent) van de codebepalingen met betrekking tot de bestuurdersbezoldiging voor verbetering vatbaar. In dit kader wordt de pensioenmaatregel uit het Belastingplan 2008, te weten het niet meer fiscaal faciliteren van pensioenopbouw boven een pensioengevend loon van 185.000 euro (het 'aftoppen'), vervangen door de volgende gerichte maatregelen.

Het volgende wordt onder meer voorgesteld:
Als pensioenopbouw plaatsvindt vanaf een pensioengevend loon van 500.000 euro op basis van een eindloonstelsel, een werkgeversheffing van 15 procent toe te passen over de forfaitair berekende pensioenpremie ('backservice').
Bij werknemers met een jaarloon vanaf 500 000 euro een werkgeversheffing van 30 procent in te voeren op excessieve vertrekvergoedingen indien en voor zover die vertrekvergoedingen hoger liggen dan één jaarloon.
De winst van private equity managers evenwichtiger te belasten. Op basis van de huidige fiscale praktijk van de belastingheffing over 'carried interest' wordt nieuwe wetgeving voorgesteld ter ondersteuning van de fiscale praktijk.

Ministerraad, 14 maart 2008, nr. 2008/01403


Fiscaliteiten
Pejudiciële vragen in KB Lux-zaak
Als gevolg van het vele jaren verzwijgen van een buitenlandse bankrekening krijgt X een navorderingsaanslag vermogensbelasting (thans vergelijkbaar met een heffing in box 3) opgelegd. Daarin worden uit praktische overwegingen in één aanslag inkomstenbelasting, vermogensbelasting, boete en heffingsrente nagevorderd.

Hof Amsterdam beslist in een proefprocedure dat de Belastingdienst gebruik mocht maken van (waarschijnlijk) ontvreemde fiches van KB-Lux. De 12-jaars termijn voor navordering van buitenlandse inkomsten en bezittingen is volgens het hof niet in strijd met het EU-recht. De boete wordt verminderd vanwege overschrijding van de redelijke termijn. X stelt beroep in cassatie in.

De Hoge Raad beslist dat de Nederlandse Belastingdienst op grond van de gegevens in de gestolen microfiches een nader onderzoek mocht instellen naar verzwegen bankrekeningen. Ook mochten de bankgegevens die X onder druk aan de Belastingdienst heeft verstrekt, worden gebruikt voor het opleggen van een boete. X stelt vergeefs dat hij onder strafdreiging gedwongen was aan zijn eigen veroordeling mee te werken. Zijn beroep op het door artikel 6 EVRM gewaarborgde verbod op gedwongen zelfincriminatie wordt verworpen. De Hoge Raad beslist vervolgens om aan het HvJ van de EG te vragen of de verlengde navorderingstermijn van 12 jaar voor verzwegen (inkomsten uit) buitenlandse banktegoeden en de mogelijkheid om over 12 jaar een boete op te leggen in strijd is met het EG-recht. De Hoge Raad houdt iedere verdere beslissing aan totdat het HvJ EG uitspraak heeft gedaan.

Hoge Raad, 21 maart 2008, nr. 43050


Fiscaliteiten

Inschrijving in GBA essentieel voor (fiscale) partners
Belanghebbende, X, woont samen met B. B staat sinds 8 juli 2002 ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres van X. In de aangifte IB/PH 2002 heeft X aangegeven dat hij en B opteren voor het fiscaal partnerschap. Op grond hiervan maakt X aanspraak op verhoging van de gecombineerde heffingskorting. De inspecteur accepteert dit niet en corrigeert de aangifte. X komt volgens hem namelijk niet in aanmerking voor het fiscaal partnerschap.

Hof Leeuwarden verklaart het beroep van X ongegrond. Uit de jurisprudentie blijkt dat het ingeschreven staan in de basisadministratie een doorslaggevende rol speelt bij de definiëring van het begrip partner. Van een zodanige inschrijving gedurende meer dan zes maanden in 2002 is geen sprake geweest. X en B zijn in 2002 dus geen partners geweest in de zin van de Wet IB 2001. Opteren voor het fiscaal partnerschap is dan niet mogelijk.

Hoge Raad, 15 februari 2008, nr. 43022


Fiscaliteiten

Geen heffingskorting partner als niet voor fiscaal partnerschap is gekozen
De inspecteur komt tegemoet aan belanghebbendes bezwaar tegen de IB-aanslag over het jaar 2003. Hij verlaagt belanghebbendes box I en box III-inkomen. In beroep stelt belanghebbende dat hij samenwoont met Y, en dat hij recht heeft op uitbetaling van de heffingskorting van Y. Y treedt echter voornamelijk op in het buitenland en heeft geen Nederlandse IB/PVV betaald.

Rechtbank 's-Gravenhage beslist dat belanghebbende pas in beroep aanspraak maakt op de verhoogde heffingskorting en dat het beroepschrift niet kan worden gezien als het kenbaar maken van een gezamenlijke keuze van belanghebbende en Y. Ook heeft Y niet kenbaar gemaakt dat zij kiest voor het fiscaal partnerschap. Belanghebbende heeft volgens de rechtbank geen recht op uitbetaling van de heffingskorting van Y.

Rechtbank 's-Gravenhage EK, 28 augustus 2007, nr. AWB 06/5590

Rechtbank 's-Gravenhage EK, 21 februari 2008, nr. AWB 06/6557


Fiscaliteiten

Taxi-ondernemer doet niet vereiste aangifte en krijgt daarvoor sanctie opgelegd
Belanghebbende, X, is taxi-ondernemer met chauffeurs in loondienst. Over de jaren 2000 tot en met 2003 krijgt X na een boekenonderzoek navorderingsaanslagen en boetebeschikkingen opgelegd. X tekent bezwaar aan maar de inspecteur verklaart X niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding. X gaat in beroep.

Rechtbank Den Haag overweegt dat het opleggen van een bestuurlijke boete is aan te merken als het instellen van een strafvervolging die ter beoordeling aan een onafhankelijke rechter moet kunnen worden voorgelegd. Dat recht vervalt bij overschrijding van de bezwaartermijn, tenzij de termijnoverschrijding is veroorzaakt door een omstandigheid die de belastingplichtige niet is aan te rekenen. X stelt dat en omdat de inspecteur de onjuistheid daarvan niet bewijst, is X alsnog ontvankelijk in zijn bezwaar. De rechtbank oordeelt het beroep van X tegen de navorderingsaanslagen ongegrond. Omdat de administratie ernstige gebreken vertoont -de basisgegevens zijn niet of onvolledig vastgelegd- is het onbruikbaar als grondslag voor de resultaatberekening. De rechtbank concludeert dat X de vereiste aangifte niet heeft gedaan zodat het beroep ongegrond is. X maakt niet aannemelijk dat de navorderingsaanslagen onjuist zijn waardoor ze in stand blijven. De rechtbank acht de vergrijpboete van 25% wegens de correctie privé-gebruik auto passend en geboden maar matigt de vergrijpboeten: van in totaal bijna € 70.000 tot € 2. 250 per belastingjaar.


Fiscaliteiten
Voortgang wetsvoorstel Invoeringswet titel 7.13 BW
De Staatssecretaris van Financiën heeft een nota naar aanleiding van het verslag en een nota van wijziging inzake het wetsvoorstel Invoeringswet titel 7.13 BW (31 065; V-N 2007/29.7) naar de Tweede Kamer gestuurd. De nota van wijziging bevat onder andere enige wijzigingen met betrekking tot de Wet op belastingen van rechtsverkeer. Het regime van art. 4 WBR ziet alleen op rechtspersonen in plaats van op lichamen met een in aandelen verdeeld kapitaal. Om deze reden wordt niet langer gesproken over 'onroerendezaaklichamen' maar van 'onroerendezaakrechtspersonen'. Verder wordt het percentage bij open beleggingsfondsen verhoogd. Zonder deze verhoging zou het in het bijzonder voor buitenlandse vastgoedfondsen lastiger worden in Nederlands vastgoed te investeren. Dit is niet wenselijk.

Daarnaast worden voorstellen gedaan om de regelgeving rondom de samenloop tussen de heffing van schenkingsrecht of het recht van overgang en de overdrachtsbelasting overzichtelijker te maken. Voorgesteld wordt om de vrijstelling voor de formele schenking in de overdrachtsbelasting af te schaffen

Tweede Kamer, 6 maart 2008, nr. 31065, nr. 8 en 9


Juridisch

De waarde van een recht van gebruik en bewoning
Als de echtgenoten M en V  scheiden in 2004, behoort tot de ontbonden huwelijksgemeenschap ook een 1/9 onverdeeld aandeel in een woning waarop een levenslang recht van gebruik en bewoning is gevestigd ten behoeve van de moeder van V. De ex-echtgenoten komen in het kader van de verdeling overeen de woning aan V toe te delen. De peildatum voor de waarde van de woning wordt gesteld op 6 november 2003. Maar dan beginnen de problemen. De peildatum is dan wel vastgesteld, maar over de waarde op die datum kunnen de ex echtgenoten nog wel een robbertje vechten.

Het geval wordt dan ook aan de Rechtbank Breda voorgelegd. Die brandt er niet zelf de vingers aan, maar benoemt een deskundige. Het rapport van de deskundige makelaar wordt gevolgd en de Rechtbank stelt de waarde vast op € 298.000,-. De waarde van het recht van gebruik en bewoning van V’s moeder moet op nul worden gesteld. Want de Rechtbank overweegt dat al op of rond de peildatum vaststond dat moeder binnen afzienbare tijd zou verhuizen naar een verzorgingstehuis.V is het met deze uitslag niet eens en gaat in hoger beroep.

Het Gerechtshof kijkt naar de waardebepaling van het genotsrecht van V’s moeder en stelt voorop dat het bij de beoordeling ervan alleen moet gaan om feiten die toen al bekend waren. Wat niet meetelt is dan ook dat V’s moeder op 11 juli 2006 afstand heeft gedaan van haar genotsrecht (al dan niet tegen een tegenprestatie), dat heeft zich eerst ná de peildatum afgespeeld.

Wat op of rond de peildatum vaststond was dat V’s moeder toen nog in de woning woonde; er nog geen afstand was gedaan van het genotsrecht; daar ook nog geen sprake van was, er wel concrete plannen waren voor de verhuizing van V’s moeder, en dat de woning direct na het vertrek van V’s moeder te koop zou worden aangeboden. Die zou dan dus vrij van het recht van gebruik en bewoning zijn.

Het Hof meent dat op grond van bovenstaande omstandigheden in de relatie tussen partijen rekening moet worden gehouden met een waardevermindering als gevolg van het bestaan van het genotsrecht, zij het dat dit recht nog maar kort zou duren. Aan het recht van gebruik en bewoning kan derhalve slechts een geringe waarde worden toegekend en in ieder geval niet de waarde zoals die later door de taxateur is gesteld op € 71.520,- (die waarschijnlijk op de maatstaf van art. 5 Uitvoeringsbesluit Successiewet gebaseerd is). Bovendien hebben de bloot-eigenaren bij de vaststelling van de koopprijs van het al in 2004 verkochte huis ook geen rekening gehouden met het recht van gebruik en bewoning.

Niet valt in te zien waarom dan met een waarde van dat recht in de relatie tussen partijen rekening moet worden gehouden naar een abstract berekende waarde waarbij kennelijk wordt uitgegaan van een verwachte levensduur van V’s moeder. Weliswaar stelt V terecht dat op de peildatum nog ongewis was op welke termijn de verhuizing van haar moeder zou kunnen worden gerealiseerd (en V noemt dat een geluk aan haar zijde dat die verhuizing op korte termijn plaatsvond), maar V miskent hiermee dat zulks tevens een geluk is aan de zijde van M die immers krachtens het huwelijksgoederenregime ook ná de peildatum medegerechtigd is gebleven tot de woning.

Het Hof meent dan dat de waarde van het genotsrecht niet op een langere termijn gesteld moet worden dan feitelijk het geval is geweest, namelijk ongeveer een half jaar. Het Hof is van oordeel dat het genotsrecht een waarde heeft van € 6.000, te weten afgerond: € 298.000 x 0,5 (half jaar) x 4% (rendement volgens de Wet IB 2001).

Hof Den Bosch 8 januari 2008, LJN: BC 2772


Juridisch

Opgepotte winsten in BV en periodiek verrekenbeding
Het echtpaar is in 1970 gehuwd in gemeenschap van goederen. Later zijn er, in verband met risicovolle investeringen van de BV waarvan M directeur en enig aandeelhouder is huwelijksvoorwaarden opgemaakt. In de huwelijksvoorwaarden is ook een periodiek verrekenbeding opgenomen waar de netto-inkomsten uit arbeid zullen worden verrekend, waaronder tevens wordt begrepen winst uit onderneming. Ook is bepaald dat als het huwelijk door overlijden wordt ontbonden, de waardestijging van M’s aandelen in de BV zal worden verrekend, tenzij op dat moment reeds een echtscheidingsprocedure aanhangig was. In 2006 scheiden M en V.

De vraag is nu natuurlijk of M de winsten in de BV op grond van de huwelijkse voorwaarden met V moet verrekenen. De Rechtbank Utrecht stelt V in het gelijk. Bij het Gerechtshof Amsterdam wint M het pleit. In zijn oordeel stelt het Hof voorop, onder verwijzing naar de Parlementaire Geschiedenis van de Wet Verrekenbedingen, dat artikel 1:141 lid 4 BW alleen van toepassing is indien een periodiek verrekenbeding is overeengekomen dat impliciet of expliciet ook winst uit een niet op naam van een echtgenoot gedreven onderneming in de verrekening betrekt. Omdat M en V hierover twisten, moet het geschil worden opgelost aan de hand van het Haviltex-criterium, het criterium dat de Hoge Raad al in 1981 geformuleerd heeft: “De vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding van partijen is geregeld en of dit contract een leemte laat die moet worden aangevuld, kan niet worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van dat contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht.”

Volgens het Hof wijst de formulering in de huwelijkse voorwaarden ter zake van de omvang van het ‘overgespaarde inkomen’ erop dat M en V slechts inkomsten die aan de heffing van inkomstenbelasting zijn onderworpen hebben willen verrekenen, zodat een redelijke uitleg van deze bepaling in beginsel met zich brengt dat het verrekenbeding wél ziet op winst uit onderneming die voor de inkomstenbelasting relevant is, maar niet op winst van de BV die aan vennootschapsbelasting is onderworpen, maar die niet wordt uitgekeerd aan de aandeelhouder. Dat M en V niet hebben bedoeld de opgepotte winsten van M’s BV bij echtscheiding te willen verrekenen blijkt impliciet ook uit het verrekenbeding bij overlijden dat niet geldt als een echtscheidingsprocedure is gestart. Naast de inhoud van de huwelijkse voorwaarden zijn ook van belang de omstandigheden waaronder de huwelijkse voorwaarden tot stand zijn gekomen en de wederzijdse kenbare bedoeling van partijen destijds. Daarbij meent het Hof dat is vast komen te staan dat M en V in 1990 huwelijkse voorwaarden hebben opgesteld omdat V vond dat de BV risicovolle transacties aanging. Toen zijn alle aandelen in de BV aan M toegedeeld en aan V onder meer een tweetal onroerende zaken. Verder blijkt uit getuigenverklaringen van twee notarissen die destijds betrokken waren bij het opstellen van de huwelijkse voorwaarden dat het in 1990 niet de bedoeling was dat V zou meedelen in de door de BV gegenereerde en aan de reserve toegevoegde winsten. Daarover is niet gesproken. Wél is gesproken over een bepaling met betrekking tot de waardestijging van de aandelen in de BV in geval van ontbinding van het huwelijk door het overlijden van één van de echtgenoten. In dat geval zou de waardestijging van de aandelen uitdrukkelijk wel worden verrekend tenzij er een echtscheidingssituatie zou zijn. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en alle omstandigheden in aanmerking nemende, is het Hof van oordeel dat in dit geval de door de BV gerealiseerde en aan de algemene reserves van de BV toegevoegde winsten niet behoren tot de op grond van het periodiek verrekenbeding tussen M en V te verrekenen inkomsten.

Hof Amsterdam 10 mei 2007, nr. 1227/06, LJN: BC2451


Toekomstvoorzieningen

Herinvoering verplichte verzekering zelfstandigen?
Onlangs bleek uit een vergadering over de positie van zelfstandigen zonder personeel (ZZP-ers), dat de Tweede Kamer verdeeld is over de invoer van een verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering voor zelfstandigen. Veel ZZP'ers zijn niet verzekerd tegen arbeidsongeschiktheid, omdat dit voor hen te duur is of omdat de verzekeraars hen geen verzekering aanbieden.

PvdA, SP en GroenLinks willen dat er een verplichte verzekering voor arbeidsongeschiktheid komt voor kleine zelfstandigen. CDA, ChristenUnie, VVD en PVV vinden dat niet nodig en dringen erop aan dat de verzekeraars een goede verzekering gaan aanbieden. D66 vindt dat in dat geval er wel een 'acceptatieplicht' bij hoort. Het kabinet moet zijn standpunt nog bepalen.


Toekomstvoorzieningen
Roker hogere lijfrente-uitkering dan niet roker
Vaak zijn rokers voor een levensverzekering duurder uit. Dit geldt als een roker een  overlijdensrisicoverzekering wil afsluiten bij een verzekeraar die rokers en niet-rokerstarieven hanteert. Rokers leven immers gemiddels korter dan niet-rokers.

Sinds kort is op basis van datzelfde principe in de verzekeringsmarkt het omgekeerde ook mogelijk. Als roker kun je een hogere lijfrente-uitkering ontvangen dan als je niet rookt. Op het moment dat een zuivere lijfrente voor het lijfrentekapitaal moet worden aangekocht is het goed hieraan te denken. Paerel Leven - Paerel Leven Rokerslijfrente

paerelleven


Toekomstvoorzieningen

Kabinet neemt maatregelen tegen excessieve beloningen
Het Kabinet heeft aangegeven maatregelen te treffen  tegen overmatige vertrekvergoedingen (zie Ministerie van Financiën - Kabinet ontmoedigt excessieve beloningen). Zo heeft het Kabinet aangegeven in een reactie op het rapport van de Commissie-Frijns. Het kabinet onderschrijft de aanbevelingen van deze commissie. Uit het rapport  van de Commissie Frijns blijkt dat 85% van de beursgenoteerde ondernemingen de corporate governance code (code-Tabaksblat) naleeft op het gebied van beloningen. 70% past de codebepalingen toe. Het kabinet vindt deze percentages voor verbetering vatbaar. Het kabinet vindt zelfregulering hierbij het uitgangspunt.

Bij de behandeling van het Belastingplan 2008 is een motie aangenomen waarin is gesteld dat er nader onderzoek moet worden gedaan of mogelijkheden zijn om excessieve beloningsbestanddelen te kunnen aanpakken. Daarbij is geopperd ook de salarisgrens voor pensioenopbouw (geen omkeerregel bij pensioengevend loon boven € 185.000) te laten vervallen. Deze maatregel zal worden vervangen door de volgende maatregelen:

 een werkgeversheffing van 15% over de pensioenpremie bij pensioenopbouw vanaf € 500.000 loon op basis van een eindloonstelsel;
  een werkgeversheffing van 30% op excessieve vertrekvergoedingen bij werknemers met een jaarloon vanaf  € 500.000. Dit geldt alleen bij vertrekvergoedingen die hoger zijn dan een jaarloon;
  een evenwichtiger belasting op de winst van private equity-managers (bij investeringen in niet-beursgenoteerde ondernemingen).
De pensioenpremie zal derhalve in beginsel fiscaal gefacilieerd blijven.

Kabinet-ontmoedigt-excessieve-beloningen.


Toekomstvoorzieningen
Kennisgroep Verzekeringsproducten geeft antwoord op vragen over banksparen Onlangs zijn op de site van de belastingdienst vragen en antwoorden over banksparen geplaatst. De antwoorden die de Kennisgroep geeft, vormen volgens de Kennisgroep geen beleid, maar zijn standpunten die rechtstreeks voortvloeien uit wet-en regelgeving (zie Helpdeskvragen Kennisgroep Verzekeringsproducten lijfrentesparen en eigen Woning sparen).

Onder andere wordt antwoord gegeven op de vraag of omzetting van een in 2007 geëxpireerde lijfrente naar een lijfrentespaarrekening mogelijk is. De Kennisgroep geeft aan dat er volgens vaste jurisprudentie een redelijke termijn mag worden aangehouden voor het bedingen van termijnen. Indien de redelijke termijn eindigt in 2008, kan binnen die redelijke termijn omzetting van een lijfrente in een lijfrentespaarrekening plaatsvinden. Een redelijke termijn komt in principe overeen met een termijn van 6 maanden bij een uitkering bij leven en 12 maanden bij een uitkering bij overlijden

Een andere vraag die de Kennisgroep heeft beantwoord ziet op omzetting van een kapitaalverzekering met lijfrenteclausule waarop het pre Brede Herwaarderingsregime van toepassing is. Omzetting van een dergelijke lijfrente in een lijfrentespaarrekening is mogelijk onder de voorwaarden dat aan de wettelijke regels van de lijfrentespaarrekening wordt voldaan. De verzekeringnemer verliest dan echter wel het recht op de eerbiedigende werking van pre Brede Herwaardering.

Belastingdienstpensioensite.nl


Toekomstvoorzieningen

Emigratieheffing staat ter discussie
Wanneer een belastingplichtige zich in het buitenland gaat vestigen, wordt door de Nederlandse belastingdienst een conserverende aanslag opgelegd over de pensioenrechten, maar ook over opgebouwde lijfrenteaanspraken. Dit betekent dat indien er binnen tien jaar na emigratie een verboden handeling met de aanspraken plaatsvindt, de heffing wordt ingevorderd. Zo probeert de belastingdienst te voorkomen dat fiscaal gefacilieerd pensioen en lijfrente in het buitenland onbelast (of tegen een zeer laag tarief) kan worden afgekocht.  

De Hoge Raad buigt zich momenteel over een dergelijke situatie. Wat was het geval?

Een belastingplichtige emigreert in 2001 naar Frankrijk. Vóór zijn emigratie heeft hij in. Nederland pensioenaanspraken opgebouwd. De Nederlandse belastingdienst heeft hem hiervoor bij vertrek een conserverende aanslag opgelegd.

Nadat het bezwaar van belanghebbende is afgewezen, stelt deze beroep in bij de Rechtbank Breda, die hem in het gelijk stelt. Hof Den Bosch, waar het hoger beroep diende, stelt belanghebbende eveneens in het gelijk. De Hoge Raad moet nog uitspraak doen. Wel heeft de Advocaat-generaal (AG) van de Hoge aangegeven dat hij van mening is dat de emigratieheffing in strijd is met internationale verdragen. In de meeste gevallen neemt de Hoge Raad het advies van de AG over. Tot zolang is het nog even afwachten. |
(zie http://www.rechtspraak.nl/ljn.asp?ljn=BC5201)


Beleggen

Macro- economie:systeemcrisis of niet?
Al enkele maanden is er sprake van onrust op de financiële markten. Het meest recente slachtoffer is de zakenbank Bear Stearns die recent werd overgenomen omdat de bank in financiële moeilijkheden was gekomen. In deze FP mail zullen we bij een aantal aspecten stilstaan van de crisis en met name bij de rol die de centrale banken (met de nadruk op de FED en ECB) hebben.

De afgelopen weken hebben zich een flink aantal feiten voorgedaan die direct te maken hebben met het wantrouwen dat momenteel op de financiële markten heerst.

Een (niet limitatieve) opsomming van een aantal zaken:

GMAC, een van de grootste buitenlandse hypotheekaanbieders en een prijsvechter op de Nederlandse hypotheekmarkt, stopt per 11 maart met het verstrekken van hypotheken. Vorig jaar bereikte het marktaandeel 4%; het gaat hier om ongeveer 50.000 hypotheken.

De reden is dat GMAC (49% eigendom van General Motors) zelf geen bank is, maar de hypotheken securitiseert en doorverkoopt aan beleggers. Nu deze markt vrijwel opgedroogd is moet GMAC de leningen zelf financieren. En dat leverde steeds meer problemen op.

Op 12 maart stelt de FED 200 miljard beschikbaar aan Amerikaanse banken. Hiermee wordt getracht de liquiditeit op de geldmarkt te vergroten. Banken kunnen in ruil voor hypotheekproducten van Fannie Mae en Freddy Mac (de “Fannie and Freddy” hypotheken, die tot voor kort gekenmerkt werden door een uitstekende debiteurenstatus. Beide instituten hebben gezamenlijk voor $ 4900 mrd aan hypotheken uitstaan.) de beschikking krijgen over staatsobligaties. Deze zijn, in tegenstelling tot de hypotheekproducten, goed verhandelbaar. Op deze manier probeert de FED de (zeer belangrijke) geldmarkt weer vlot te krijgen. Want deze zit behoorlijk op slot, omdat banken elkaar met argusogen bekijken. Dit is duidelijk te merken aan de renteopslag die banken elkaar in rekening brengen. Dit had en heeft te maken met het feit dat meerdere hedgefunds in de problemen zijn geraakt. Hedgefunds die veelal zwaar gefinancierd zijn.

De reden dat de FED zoveel moeite doet om de geldmarkt op deze wijze te stimuleren is gelegen in het feit dat ze de hypothekenmarkt als de spil zien waar alles om draait. Als het de FED lukt om deze markt in een rustiger vaarwater te manoeuvreren zal ook op andere plaatsen de rust terugkeren, is de filosofie.

Een paar dagen later mag de FED weer aan de bak. In een samenspel met JP Morgan wordt Bear Stearns van de ondergang gered. Tegen een luttele $ 240 mio wordt de 5e zakenbank van Amerika overgenomen. Een faillissement zou een enorme impact gehad kunnen hebben op het vertrouwen van de consument in het financiële stelsel. Een systeemcrisis had het gevolg kunnen zijn als paniek uit zou breken. 

Door de verlaging van de kredietstatus van obligaties (o.a van Fannie and Freddie) vermindert de waarde van deze obligaties die door o.a. hedgefunds als onderpand worden gebruikt. Op basis van dit kwalitatief uitstekende onderpand kunnen ze veel geld lenen bij banken. Als echter de kwaliteit daalt eisen de banken een grotere zekerheidsstelling. Of gaan, zoals bij Carlyle (aan Euronext genoteerd) over tot verkoop van het onderpand. Dit heeft dus tot gevolg dat ook hedgefunds in hun voortbestaan worden bedreigd.

Weer een paar dagen later, op 18 maart, verlaagt de FED de herfinancieringsrente met 0,75% tot 2,25%. Op deze manier proberen ze het vertrouwen in de markt te houden en er ook voor te zorgen dat het voor consumenten en bedrijven goedkoper wordt om te lenen. Hiermee zal de economie draaiende worden gehouden en wordt geprobeerd om te voorkomen dat Amerika in een (zware) recessie belandt.

De lagere rente in Amerika zorgt ook voor een steeds minder interessant wordende dollar ten opzichte van de Euro. Ook ten opzichte van andere valuta is de dollar steeds verder verzwakt. De afgelopen jaren werden door steeds meer partijen al vragen gesteld over de kwaliteit van de dollar vanwege het “twin- deficit”. Door de huidige situatie is dat vertrouwen alleen nog maar verder afgenomen.

Druk op pensioenfondsen: door de terugvallende beurskoersen neemt de dekkingsgraad van pensioenfondsen af. Begin van deze eeuw deed deze situatie zich ook voor, waarbij de herstellende beurskoersen er in 2003 en 2004 voor zorgden dat de dekkingsgraad weer toenam. De dekkingsgraad medio maart (bron: Mercer) was 122%. Eind december was dit nog 137%. Twee pensioenfondsen zijn inmiddels door hun minimum dekkingsgraad van 105% gezakt.

Het IMF voorziet een snelle verzwakking van de mondiale economie als gevolg van de kredietcrisis. Door een afnemend consumentenvertrouwen zal er minder besteed worden. Dit heeft lagere bedrijfsresultaten tot gevolg.

De grote vraag is en blijft: gaan er financiële instellingen omvallen en wat is de consequentie daarvan voor overige financiële instellingen en wat betekent dat voor het vertrouwen bij het grote publiek. De meningen zijn hierover verdeeld. Er zijn partijen die denken dat het einde in zicht is. Daar tegenover staan partijen die stellen “you ain’t seen nothing yet”. Het zijn en blijven voorlopig spannende tijden.


Financieren

Bijleenregeling mogelijk herzien
In het algemeen overleg van de vaste commissie voor Financiën van 31 januari 2008 over het AFM-rapport hypotheken en nationaal regime (MiFID), heeft de minister van Financiën toegezegd dat de Staatssecretaris de Tweede  Kamer nader zal informeren over de bijleenregeling. Dit heeft hij in een brief van 14 maart gedaan.

Zoals aangegeven is de bijleenregeling aandachtspunt bij de behandeling van de aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2006. Zo zijn bij binnenkomst van aangiften waarin kennelijk informatie ontbrak betrokkenen direct benaderd met het verzoek aanvullende informatie te verstrekken. Dat heeft al geleid tot een beter aangiftepatroon. Vervolgens zijn van de ingediende aangiften ongeveer 30.000 aangiftes geselecteerd voor individuele behandeling en beoordeling. Die beoordelingen vinden de komende maanden plaats.

Zonder op de uitkomsten van de behandeling van genoemde aangiften vooruit te willen lopen, wordt het volgende meegedeeld omtrent oplossingen voor de complexiteit van de bijleen regeling:

Allereerst is gekeken of het mogelijk is om de complexiteit voor belastingplichtigen te verminderen door de aangifte te vereenvoudigen. Het is namelijk opvallend dat juist ten tijde van het doen van aangifte de klachten over de ingewikkeldheid van de bijleenregeling toenemen. Dit versterkt de indruk dat in ieder geval het invullen van de aangifte met betrekking tot de rubriek van de bijleenregeling als problematisch wordt ervaren door belastingplichtigen. Daarom zijn inmiddels stappen ondernomen om de aangifte op dit punt te vereenvoudigen.

In het wetsvoorstel wijziging van een aantal belastingwetten en enkele andere wetten dat binnenkort zal worden ingediend, is een voorstel tot wetswijziging opgenomen waardoor de drempel voor afboeking van de eigenwoning reserve van € 5.000 voor onderhoudskosten komt te vervallen. In het besluit van 20 februari 2007, nr. CPP2006/1942M is overigens al goedgekeurd dat deze drempel niet toegepast hoeft te worden. In feite wordt hiermee een dode letter uit de wet verwijderd.

Daarnaast wordt eraan gewerkt ook op andere punten binnen de bijleenregeling de aangifte 2008 te vereenvoudigen. Zo zal ook het aantal vragen verminderd worden.

De staatssecretaris stelt voorop dat hij er van uitgaat dat de aangekondigde vereenvoudiging in het biljet voldoende zal zijn voor een eenvoudiger bijleenregeling . Mocht evenwel uit onderzoek blijken dat zoiets niet het geval is, dan zal hij komen met aanvullende maatregelen. De staatssecretaris zal de Tweede Kamer in dat geval tijdig informeren.

Bron: Brief aan de Tweede Kamer d.d. 14 maart 2008 nr. DB 2008-00076 M  


Financieren

Rente voor restschuld van de voormalige woning is geen eigen woningrente
De heer X koopt in 1975 een woning met geleend geld. Omdat hij zijn verplichtingen jegens de bank niet nakomt, wordt de woning in 1981 executoriaal verkocht. Na verrekening van de verkoop opbrengst met de door de heer X aan de bank verschuldigde bedragen, is hij nog een substantieel bedrag aan de bank verschuldigd (de restantschuld). In 2004 betaalt de heer X

€ 10.000 ter 'finale kwijting'. Partijen zijn het erover eens dat dit bedrag uitsluitend betrekking heeft op achterstallige rente.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de restantschuld na de executoriale verkoop niet (langer) betrekking op een eigen woning. De rente op de restantschuld behoorde van meet af aan niet tot de rente van schulden, kosten van geldlening daaronder begrepen, in de zin van artikel 42 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 en nadien artikel 3.120 van de Wet inkomstenbelasting 2001. De betaling van € 10.000 komt niet in mindering op het inkomen uit werk en woning. Het beroep wordt ongegrond verklaard.

Bron : Rechtbank ’s-Gravenhage 19 oktober 2007 nr. BC 6697 (publicatie 14 maart 2008)


Financieren

Rente hypothecaire lening niet integraal aftrekbaar
De heer en mevrouw X kopen in 2000 voor een bedrag van € 191.722 een woning. Naast de genoemde koopsom, was men € 12.696 aan overdracht kosten verschuldigd. Kort daarna - op 6 september 2000 - heeft men de toenmalige woning, inclusief enkele roerende zaken, verkocht voor een bedrag van € 188.319. Na aflossing van de hypothecaire geldlening die strekte tot financiering van de oude woning  voor een bedrag van € 69.265 en de betaling van een bedrag van € 3.716 aan kosten, resteerde een bedrag van € 115.337. Hiervan wendde hij een bedrag van € 92.296 aan voor de voldoening van de koopsom van de woning. Het door middel van een geldlening te financieren gedeelte van de koopsom voor de nieuwe woning bedroeg derhalve € 112.123.

Op 12 september 2000 heeft  F. bank N.V. een offerte uitgebracht voor een lening ter financiering van de aangekochte woning van € 247.764. Naast het hiervoor bedoelde te financieren deel van de koopsom, inclusief de overdrachtskosten (€ 112.123), strekte het hogere geoffreerde bedrag blijkens de geaccepteerde (ten opzichte van de aanvankelijke versie gewijzigde) offerte, d.d. 10 oktober 2000, ter financiering van een bouwdepot ad

€ 40.840 ter zake van een voorgenomen verbouwing, van financieringskosten ten bedrage van € 2.478 en van een storting in een zogenoemd "beleggingsdepot" ad € 90.302, dat wil zeggen: de aanschaf van participaties in een of meer beleggingsfondsen op naam van eiser, in totaal derhalve € 245.698

Deze offerte werd ook zo geaccepteerd. In geschil is of de gehele rente die verschuldigd is uit hoofde van de hypothecaire geldlening aftrekbaar is van het box 1 inkomen van de heer en of mevrouw X.

De rechtbank Leeuwarden is heel duidelijk. Op grond van artikel 3.110 Wet IB 2001. Het deel van de lening dat is besteed aan de koopsom (EUR 112.123) en de verbouwing ( EUR 40.840) alsmede een evenredig deel van de kosten van geldlening  kunnen in mindering komen op het box 1 inkomen. Het bedrag wat is besteed voor het beleggingsdepot ad. EUR 90.302, kan niet als eigen woningschuld worden aangemerkt. Daaraan doen, naar het oordeel van de rechtbank, niet af de uitspraken van de Hoge Raad van 22 oktober 2004, gepubliceerd in onder meer BNB 2005/135 tot en met 2005/137, aangezien de Hoge Raad in die uitspraken - voor zover hier van belang - slechts heeft beslist dat de aanwezigheid van het oogmerk een geldlening aan te gaan ter verwerving van een eigen woning niet zonder meer tenietgaat als de koopsom van die woning niet rechtstreeks wordt voldaan van de bankrekening waarop de geleende gelden daaraan voorafgaand zijn gestort. In het onderhavige geval is er op het moment van het aangaan van de overeenkomst van geldlening evenwel geen oogmerk om de gehele geldlening te besteden aan de verwerving van de bedoelde woning, omdat duidelijk voor het eerder vermelde bedrag van € 90.302 een andere bestemming, te weten de financiering van een (eerste) storting in een beleggingsdepot door partijen is beoogd.

Bron : Rechtbank Leeuwarden 30 januari 2007 nr. BC 7399 (publicatie 21 maart 2008)


DGA en IB-ondernemer

Verkoopwinst bedrijfspand toch geheel onbelast
X en zijn echtgenote exploiteren in firmaverband een installatie- annex onderdelenwinkel. In 1999 is een bedrijfspand verkocht aan een projectontwikkelaar. Ondanks dat het pand vanaf de aankoop volledig tot het privé-vermogen is gerekend, belast de inspecteur alsnog de verkoopwinst die betrekking heeft op de benedenverdieping. Hof Leeuwarden oordeelt dat het pand splitsbaar is en dat de benedenverdieping daarom verplicht tot het ondernemingsvermogen behoort. De Hoge Raad (13 juli 2007, nr. 42.718, V-N 2007/34.15) oordeelt dat het bewijsaanbod van X inzake het feitelijke gebruik van de benedenverdieping en het niet meer voor de zaak bruikbaar zijn ten onrechte is gepasseerd. Voor de splitsbaarheid is de bruikbaarheid namelijk ook relevant. Volgt verwijzing.

Hof Arnhem oordeelt dat de inspecteur zich ter zitting alsnog heeft verenigd met het standpunt van X dat het pand in zijn geheel terecht tot het privé-vermogen is gerekend. De inspecteur is hiertoe overgegaan na de verklaring van de echtgenote van X ter zitting en het voorlopige oordeel van het hof. Het beroep van X is gegrond.

Hof Arnhem MK I, 27 februari 2008, nr. 07/00358


DGA en IB-ondernemer

Nagekomen bate na einde firma is belast met inkomstenbelasting
In 1994 kent de Provincie Gelderland een bijdrage toe aan firma G, waarvan belanghebbende en Q de firmanten zijn, in verband met de opheffing van de inrichting waarin de firma een autohandel en autodemontagebedrijf uitoefent. Op dit bedrag wordt conservatoir beslag gelegd in verband met een op de firma rustende verplichting om saneringskosten te vergoeden. In 1998 wordt de firma ontbonden. In 2000 bereiken partijen overeenstemming over de door de ex-firmanten te betalen bijdrage in de saneringskosten en wordt het restant uitbetaald. De inspecteur verhoogt belanghebbendes belastbare inkomen met zijn deel van de bijdrage.

Hof Arnhem beslist dat de vordering en schulden tot het nog niet geheel geliquideerde vermogen van de firma behoren en alsnog winsten en verliezen kunnen opleveren in de daaropvolgende jaren. Volgens het hof heeft de inspecteur de bijdrage terecht belast met IB, omdat belanghebbende verklaart dat hij de vordering en schuld niet naar zijn privé-vermogen heeft overgebracht. De Hoge Raad oordeelt dat de middelen of klachten niet tot cassatie kunnen leiden (art. 81 Wet RO).

Hoge Raad, 5 oktober 2007, nr. 43404


DGA en IB-ondernemer

Forse navorderingsaanslagen voor niet verantwoorde bonussen van apothekerDe werk-bv's die belanghebbende via zijn holding houdt, exploiteren ieder een apotheek. Uit een onderzoek van de Belastingdienst blijkt dat de werk-bv's bonussen en kortingen hebben ontvangen die niet in de administratie zijn verantwoord en dat deze bonussen en kortingen aan belanghebbende zijn betaald. De inspecteur stelt dat er sprake is van vermomd dividend en legt navorderingsaanslagen IB op aan belanghebbende.

Hof Amsterdam beslist dat de kortingen die aan de werk-bv's toekwamen direct aan belanghebbende ter beschikking kwamen en dat belanghebbende en de bv niet de intentie hadden om de kortingen in de boeken te verwerken. Het hof is het dan ook met de inspecteur eens dat er sprake is van een vermomde uitdeling. De Hoge Raad oordeelt dat de middelen of klachten niet tot cassatie kunnen leiden (art. 81 Wet RO).

Hoge Raad, 5 oktober 2007, nr. 43648


DGA en IB-ondernemer
Geen bewustheid van vermogensverschuiving bij verkoop grond aan BV door DGA's
Belanghebbende en zijn broer houden de aandelen in bv A. Bv A huurt grond van haar aandeelhouders om vrachtwagens en bedrijfsvoertuigen, voor de handel, te stallen. In 2000 koopt bv A de grond van belanghebbende en zijn broer. Volgens de inspecteur is de prijs die daarbij wordt bedongen te hoog. Volgens de inspecteur is er sprake van een uitdeling. Hij legt een navorderingsaanslag aan belanghebbende op. Rechtbank Breda beslist dat er geen sprake is van een uitdeling.

Hof 's Hertogenbosch beslist dat niet aannemelijk is geworden dat belanghebbende en bv A zich bewust waren van enige vermogensverschuiving in de aandeelhouderssfeer met betrekking tot de verkoop van de grond. Volgens het hof mocht belanghebbende er op vertrouwen dat de door hem ingeschakelde taxateur de waarde van de grond op juiste wijze had vastgesteld.

Hof 's-Hertogenbosch MK III, 29 januari 2008, nr. 06/00445


DGA en IB-ondernemer
Voortzetting na geruisloze inbreng
X en diens partner exploiteren een restaurant door middel van een vennootschap onder firma. X en Y laten het bedrijfspand taxeren en een belastingadviseur stelt een notitie op over een bedrijfsbeëindigingstraject. X brengt de onderneming in de BV in waarna de BV een VOF aangaat met de dochter van X en haar partner. De dochter en haar partner dragen de winsten en verliezen voor 90%. Kort daarop is de VOF ontbonden waarna de dochter en haar partner de onderneming voortzetten. De inspecteur weigert X toe te staan dat hij de onderneming fiscaal geruisloos inbrengt in de BV. Voor Hof 's-Hertogenbosch is in geschil of deze weigering terecht is.

Volgens Hof 's-Hertogenbosch stelt de inspecteur terecht dat de inbreng van de onderneming in de BV onderdeel is van een geheel van rechtshandelingen gericht op de overdracht van de onderneming. De inspecteur kan volgens rechtspraak van de Hoge Raad de goedkeuring in zo'n geval weigeren. Er is sprake van een op bedrijfsbeëindiging gericht belastingadvies, een verhuizing van X en de exploitatie door X van een ander restaurant, een snelle ontbinding van de VOF, een krantenartikel dat melding maakt van een overname door de dochter van X en haar partner en een taxatie met 'voorgenomen verkoop' als vermeld doel. Het is daarom aannemelijk dat X, zijn partner en diens dochter en schoonzoon al op of vóór het moment van inbreng hebben afgesproken om tot bedrijfsoverdracht over te gaan. De inspecteur weigert terecht de fiscaal geruisloze inbreng.

Hof 's-Hertogenbosch MK III, 29 januari 2008, nr. 05/00428


DGA en IB-ondernemer
Te hoge creditering bij doorinbreng werk-bv belet aftrek lijfrente
De heer X drijft samen met een andere vennoot tot 1 juli 2003 een architectenbureau. In november 2003 hebben zij de aparte vof-aandelen - met terugwerkende kracht tot 1 juli 2003 - ruisend ingebracht in twee persoonlijke holdings. Ter zake van de stakingswinst hebben ze een lijfrente bedongen bij de holding. De holdings hebben hun aandeel in de onderneming overgedragen aan de gezamenlijke werk-bv, zulks met uitzondering van het pand. Deze inbreng heeft plaatsgevonden tegen uitreiking van aandelen ad € 18.000 en voor het meerdere tegen creditering. De inspecteur heeft de aftrek van lijfrente voor X niet toegestaan. In geschil is zijn ib/pvv-aanslag over 2003. X stelt dat de aftrek van lijfrente mogelijk is op grond van de omstandigheid dat er sprake is van een reëel geval dan wel omdat er sprake is van dwaling.

Rechtbank Breda oordeelt dat de overdracht aan de werk-bv had moeten geschieden tegen uitreiking uitsluitend van gewone aandelen met een eventuele afrondingscreditering. X beroept zich ook ten onrechte op dwaling. Het is dus niet mogelijk om de in 2003 aangebrachte creditering voor fiscale doeleinden als agio te beschouwen. Het is ook niet mogelijk om de vof-onderneming met terugwerkende kracht geruisloos in te brengen in de persoonlijke holdings, omdat niet is voldaan standaardvoorwaarden daartoe. Het beroep van X is ongegrond.

Rechtbank Breda EK, 28 februari 2008, nr. AWB 07/655


DGA en IB-ondernemer
Doel regeling geruisloze inbreng in casu niet overschreden
In 2000 is een voorheen in privé gedreven onderneming fiscaal geruisloos ingebracht in belanghebbende, een bv. Tot de ingebrachte onderneming behoort een deelneming, die vervolgens door belanghebbende wordt verkocht. Op grond van (standaard)voorwaarde 8a rekent de inspecteur het verkoopresultaat tot het belastbare resultaat. Belanghebbende is het hier niet mee eens. Hij neemt onder andere het standpunt in dat (standaard)voorwaarde 8a niet gesteld had mogen worden bij het afgeven van de beschikking inzake geruisloze inbreng.

Volgens rechtbank Breda is het beoogde doel van de regeling van geruisloze inbreng met de daarbij gestelde (standaard)voorwaarden, het omzetten van een inkomstenbelastingclaim in een vennootschapsbelastingclaim, niet overschreden met de belastingheffing over het verkoopresultaat van de deelneming.

Het beroep van belanghebbende op schending van het gelijkheidsbeginsel, omdat bij een geruisloze aandelenruil bij een deelneming van meer dan 50 percent wel de deelnemingsvrijstelling van toepassing is, is ongegrond. Er is namelijk geen sprake van gelijke gevallen die ongelijk behandeld worden.

Het is volgens het hof niet in strijd met de totaalwinstgedachte dat de deelnemingsvrijstelling alleen niet van toepassing is op positieve voordelen uit de deelneming. Goed koopmansgebruik laat immers afwaardering van de deelneming op balansdatum toe, indien de waarde van de aandelen bij inbreng lager is dan de boekwaarde ervan.

Rechtbank Breda MK, 27 februari 2008, nr. AWB 06/6218


DGA en IB-ondernemer
Vervangingsreserve door vervangingsvoornemen op balansdatum
Het doel van X nv is onder meer het verkrijgen, vervreemden, beheren en exploiteren van onroerende zaken. In 1991 heeft X nv een pand aangeschaft en is deze gaan verhuren. In 1997 zijn de bovenwoningen van het pand verkocht. In verband hiermee heeft X nv een vervangingsreserve (thans: herinvesteringsreserve) gevormd. In geschil is of dit terecht is. Volgens de Hoge Raad (1 september 2006, nr. 42.414, BNB 2006/329) kent Hof Amsterdam ten onrechte geen betekenis toe aan het in 1999 aankopen van een ander wooncomplex door X nv en is de zaak verwezen. Na verwijzing is uitsluitend nog in geschil of bij X nv op 31 december 1997 een voornemen aanwezig was tot vervanging van de vervreemde bovenwoningen.

Hof 's-Gravenhage oordeelt dat X nv op directieniveau het voornemen had om de vervreemde bovenwoningen te vervangen. In het verleden heeft X nv namelijk ook altijd vervangende onroerende zaken verworven. De achterliggende aandeelhouder van X nv is de heer A en deze bezat een volmacht om namens de directie van X nv op te treden. De verklaring van A dat hij een vervangingsvoornemen had, is door hem afgelegd als de gemachtigde van de directie van X nv. Er is dus terecht een vervangingsreserve door X nv gevormd. Het beroep van X nv is gegrond.

Hof 's-Gravenhage MK I, 8 januari 2008, nr. BK-06/00245


DGA en IB-ondernemer
 Terechte exit-heffing voor naar Londen gevluchte bv
X bv is onderdeel van een concern dat internationaal elektriciteit- en gasnetwerken bezit. Tot de bezittingen van X bv behoort een grote vordering op haar voormalige grootmoeder. Eind 2000 wijst de Hoge Raad een arrest, waardoor bij X bv grote vrees voor nadelige reparatie-wetgeving ontstaat. De zetel van X bv wordt daarom op 15 december 2000 verplaatst naar Londen. Daar aangekomen stelt X bv tevens een nieuw boekjaar in. In geschil zijn twee vpb-aanslagen. De eerste betreft het (oorspronkelijke) boekjaar van 1 april 2000 tot en met 31 maart 2001. De tweede betreft het boekjaar van 16 december 2000 tot en met 31 maart 2002 en is pro forma.

Rechtbank Haarlem oordeelt dat de boekjaarwijziging alleen is doorgevoerd om buiten het bereik van nieuwe belastingwetgeving te blijven en dat het doorslaggevende oogmerk dus was om belasting te ontgaan. De boekjaarwijziging is terecht met het leerstuk van de wetsontduiking genegeerd. De eindafrekeningswinst kan aldus bij X bv worden belast. Het negeren van de boekjaarwijziging is bedoeld om misbruik te voorkomen en dat is een voldoende specifieke maatregel. De aanslagen zijn daarom niet in strijd is met art. 43 EG-verdrag. Aangezien het beroep inzake de eerste aanslag ongegrond is, is het beroep inzake de tweede aanslag gegrond. Het beroep van X bv is alleen in zoverre gegrond.

Rechtbank Haarlem MK, 17 december 2007, nr. AWB 06/1645; 06/1646 



FP-mail
 
Colofon
FP-mail is een tweewekelijkse uitgave van Elsevier Financiële Educatie.
Radarweg 29
Postbus 111
1000 AC Amsterdam
fpmail@efe.nl

© 2008 Elsevier Financiële Educatie